top of page

Dag 3 – Van Lès (Bossòst) naar El Pont de Suert, een verrassing!

Bijgewerkt op: 22 apr

19 april 2026


Na de zware rit van gisteren – 80 kilometer en twee stevige cols in de Pyreneeën – waren we meer dan klaar voor een goede nachtrust. Die vonden we in OLAcamp in Lès, vlakbij Bossòst: een camping en belevingscentrum waar ze buiten het hoogseizoen ook kamers verhuren in bungalows. We hadden geluk: slechts twee van de vier kamers waren bezet, waardoor we elk een eigen badkamer hadden. Comfort genoeg dus om te herstellen van de inspanningen.


We bevinden ons al enkele dagen in de prachtige Aranvallei, die haar naam gaf aan de Via Aran(a), een pelgrimsroute die later aansluit op de Via Catalan. Deze route werd in de middeleeuwen gebruikt door pelgrims uit Catalonië en Aragón op weg naar Puente la Reina en verder naar de Camino Francés. Opvallend is ook de taal hier: het Aranees, een erkende taal in Catalonië. Je ziet het overal terug – op verkeersborden, officiële documenten en zelfs op restaurantmenu’s, naast het Catalaans en Spaans. Kinderen kunnen het hier ook op school leren).


Mijn avondmaal, Carlos, de Duitse opvoeder, de camping met de bungalows


Na een deugddoende douche genoten we ’s avonds van een eenvoudige maar authentieke maaltijd in het kleine restaurant op het domein, waar enkel streekgerechten op het menu staan. Ik koos voor een rijk gevulde charcuterieschotel – een lokale “assiette anglaise” – en Bruno herinnerde me eraan om voldoende zout te eten om krampen te vermijden. Dat advies bleek goud waard. Daarbij dronk ik een frisse caña, terwijl Bruno het bij water hield (al werd er af en toe eens geproefd).


Na het schrijven van het dagverslag viel ik als een blok in slaap.

’s Ochtends, op weg naar het ontbijt, ontmoetten we een medereiziger: Carlos Ertl, een Duitse opvoeder uit Augsburg. Hij was met de fiets onderweg naar Portugal om vrienden te bezoeken in Lagos. Toen Bruno hem vertelde over onze tocht voor het Rinus-Pinifonds, was hij zichtbaar onder de indruk. We gaven hem onze website mee – misschien volgt hij ons wel verder.


Op weg naar de Col de Vielha



Tijdens het ontbijt – eenvoudig maar lekker en met zorg geserveerd door een vriendelijke jonge man – kwam het gesprek op de uitdaging van de dag: de Col de Vielha, met zijn indrukwekkende hoogte. Bruno was al volop aan het nadenken over hoe we deze klim best zouden aanpakken, met voldoende rustmomenten.

Toen kwam de verrassing.


Bruno helemaal in uitrusting om de tunnel in te rijden


Er bleek een tunnel onder de col te lopen, van maar liefst 6 kilometer lang. Fietsers mogen erdoor, mits het volgen van een specifieke procedure: aanmelden via een SOS-telefoon, en verplicht uitgerust zijn met verlichting, helm en reflecterende kledij. Gelukkig waren wij goed voorbereid – met onze helmen, fietslichten en de fluotruitjes van het Rinus-Pinifonds.

Na een aanloop van ongeveer 20 kilometer door de vallei en een stevige klim van 10 kilometer bereikten we de tunnel. We meldden ons aan… en kregen groen licht.

Wat daarna volgde, was een unieke ervaring.

De rechterrijstrook van de tunnel werd volledig afgesloten voor het autoverkeer – aangegeven met een rode X boven de weg – en exclusief voor ons vrijgemaakt. Zes kilometer lang fietsten we door de tunnel, helemaal alleen. Het voelde bijna onwerkelijk: stil, veilig en indrukwekkend tegelijk. We voelden ons letterlijk “koningen van de weg”.

En niet onbelangrijk: we bespaarden ons een bijzonder zware beklimming van 12 à 15 kilometer, met stijgingspercentages tot 10%. In plaats van uren klimmen, waren we in een halfuur aan de andere kant.

Langzaam verlieten we zo de Aranvallei, met opnieuw een ervaring rijker.

Elke dag brengt zijn verrassingen – en vandaag was dat een heel bijzondere.


In de gietende regen bij het verlaten van de tunnel


Alles verliep vlot en we voelden ons klaar voor een mooie rit. Tot we uit de tunnel kwamen… en letterlijk in een ander decor terechtkwamen. Plots begon het hevig te regenen en te hagelen. We stopten meteen om onze regenjassen aan te trekken. Ik spande ook snel het beschermzeil over mijn bakfiets, zodat onze bagage droog bleef. Het contrast met de rit in de tunnel kon moeilijk groter zijn.


Na een halfuur door weer en wind fietsen, besloten we halt te houden in het dorpje Villaler. In een eenvoudige, volkse bar vonden we beschutting. Binnen heerste een totaal andere sfeer: de lokale bevolking was volop bezig met het zondagsaperitief. Wij hielden het bescheiden en warm met een café con leche, terwijl we wachtten tot het ergste voorbij was.

En dat gebeurde gelukkig ook. Na een klein uurtje klaarde het op en konden we onze tocht verderzetten. De laatste 10 kilometer naar El Pont de Suert verliepen zonder problemen. Rond 15 uur kwamen we aan – met natte schoenen en licht vochtige kledij, maar tevreden dat we er waren.


Schuilend voor de regen in een cafeetje, het veranderende landschap, en ons avondmaal


Opvallend was hoe het landschap veranderde: eenmaal uit de tunnel lieten we stilaan de hoge Pyreneeën achter ons, en maakten de ruige bergen plaats voor een zachter, heuvelachtiger decor.


Onze overnachting bleek een schot in de roos. In Hostal Canigó – een charmant oud herenhuis – werden we hartelijk ontvangen door de eigenares, die het huis heeft omgevormd tot een bijzonder gezellige B&B. Overal hangen reproducties van de beroemde fresco’s uit de nabijgelegen Vall de Boí, wat meteen een culturele toets geeft aan het verblijf. Ook praktisch was alles perfect: onze fietsen konden veilig in de garage, en onze natte schoenen mochten drogen op de verwarmingsketel. Na het afronden van de administratieve formaliteiten – die sinds vorig jaar verplicht zijn in Spanje – konden we eindelijk uitrusten. We hadden opnieuw een stevige, maar boeiende dag achter de rug, goed voor zo’n 65 kilometer.


De vermoeidheid zat diep, dus uit eten gaan zagen we niet meer zitten. Bruno trok eropuit en vond een supermarkt die nog open was. Hij kwam terug met een heerlijke selectie Spaanse lekkernijen: ham, kaas, gevulde olijven, tortilla, vers brood, koude gazpacho en zelfs mosseltjes in blik. En voor mij – opa – had hij nog een extra verrassing: vier Spaanse pintjes. Een San Miguel, een Mahou, een Estrella en een Damm. Bruno hield het bij één, ik had er al eentje achter de kiezen en hoopte er nog eentje te drinken voor ik in een diepe slaap zou vallen.


Morgen wordt een rustigere dag, met “slechts” 50 kilometer op het programma. We trekken naar de prachtige Vall de Boí, waar we een lus maken langs negen unieke Lombardische preromaanse kerkjes, verspreid over een schilderachtige vallei.

Laat ons hopen dat het weer ons morgen iets beter gezind is.







Opmerkingen


© 2022 Rinus-Pinifonds

  • Facebook
  • Instagram
bottom of page