top of page

Dag 25 – van Fonfría tot Portomarín

Dag 25 – 11 mei 2026


Gisteren ben ik na het avondmaal rond 22 uur onmiddellijk in slaap gevallen. Zoals altijd word ik enkele uren later weer wakker, in dit geval rond 1 uur ’s nachts. Daarna val ik opnieuw in slaap en rond 4 uur ben ik alweer wakker. Ik neem een douche en begin te schrijven. Tegen 7.30 uur is mijn bijdrage voor dag 24 klaar en kan ik die opsturen naar oma.

Aan het ontbijt ontmoeten we de veertigjarige Braziliaan Guilherme. Hij gaat naar Santiago omdat de grootvader van zijn vader afkomstig was uit de streek rond Santiago. Later hoopt hij hier meer tijd door te brengen om zijn genealogie te onderzoeken. Hij heeft een managementfunctie bij het Amerikaanse bedrijf John Deere, dat allerlei landbouwmachines produceert. Hij is verantwoordelijk voor de verkoop.


Brazilië heeft veel landbouwmachines nodig om enorme oppervlakten in te zaaien. Sommige delen van Brazilië zijn bijzonder vruchtbaar en sommige boeren kunnen er drie verschillende oogsten per jaar binnenhalen. De Braziliaanse boeren zijn erg tevreden met de nieuwe afspraken tussen de Europese Unie en de Mercosur-landen. Dat opent nieuwe mogelijkheden voor het land. Guilherme begrijpt niet goed waarom sommige Europese landen, zoals Frankrijk, daartegen zijn.


Ontbijt en vertrek met de zon uit Fonfria


Hij heeft een partner, maar ze hebben geen kinderen. Ze moeten te hard werken om rond te komen. Om halfacht moet hij al op het werk zijn en vaak werkt hij tot laat. Hij ziet het niet zitten om daarnaast nog tijd te vinden voor kinderen.

Na het ontbijt spuit ik eerst de fietsen af, want ze zijn erg vuil geworden door gisteren op de oude Camino te rijden. De fiets van Bernadette maakte een vreemd geluid, maar na het schoonmaken is dat verdwenen. Misschien zat er ergens een steentje tussen gekneld.

We verlaten Casa Gallego en nemen onmiddellijk de LU-633, die ons naar Triacastela moet brengen. We dalen bijna vijftien kilometer lang. De mist van deze ochtend is ondertussen opgetrokken en tegen alle verwachtingen in ziet de hemel al blauw. De vergezichten aan beide zijden van de weg zijn onbeschrijfelijk mooi en we stoppen geregeld om foto’s te maken.


De vergezichten op weg naar Triacastela, de kerk van Triacastela


Vanuit Triacastela gaat het verder, nog altijd over de LU-633, richting Samos. Langs de weg zien we nu minder vergezichten en eerder bossen en weilanden, soms met vee en graangewassen zoals maïs.

In Samos is de abdij gesloten en moeten we ons beperken tot de buitenkant, die op zichzelf al indrukwekkend is. De Monasterio de Samos is een benedictijnenabdij met een groot verleden. Ze werd ongeveer 1500 jaar geleden gesticht, rond 500 na Christus, en sindsdien zijn hier altijd monniken aanwezig geweest.


De Visigoten gaven het klooster de naam Sámanos, wat “plaats van monniken” betekent, en die naam leeft nog steeds voort. Vier architectuurstijlen komen in het gebouw voor: romaans, gotisch, renaissance en barok, vooral zichtbaar in de grote gevel. Alleen enkele gevels en losse elementen dateren nog uit de romaanse periode.

De monniken zijn benedictijnen, al weet men niet precies wanneer ze de regel van Benedictus van Nursia hebben aangenomen. Het hoofdaccent ligt op ora et labora: bidden — tot acht keer per dag — en werken. Vandaag leven ze vooral van pelgrimsactiviteiten en verblijven, cultureel toerisme, de verkoop van souvenirs en publicaties, religieuze diensten en retraites.


Het klooster van Samos en het riviertje bij het binnenrijden van Sarria

Vanuit de vallei met het riviertje — want een klooster heeft water nodig — rijden we verder richting Sarria. Het landschap is sinds deze ochtend bijna volledig veranderd. De westelijke Cantabrische bergen van 1300 meter rond O Cebreiro zijn praktisch verdwenen. In de plaats krijgen we heuvels van 500 tot 800 meter hoog, zoals de Serra do Courel en Os Ancares.


De heuvels nemen het over van de bergen, maar het landschap blijft bijzonder mooi en glooiend, met veel groen, koeien, schapen en gewassen. Bernadette heeft veel belangstelling voor bloemen en planten en stopt geregeld om foto’s te maken.

We praten ook over het feit dat bijna elke plant of bloem op een middeleeuws, gotisch, renaissance- of barokschilderij een symbolische betekenis heeft. De lelie staat bijvoorbeeld voor de zuiverheid van Maria, maar ook de akelei verwijst naar haar. Het woord is afgeleid van ancilla, het Latijnse woord voor “dienstmaagd”, uitgesproken door Maria bij de boodschap van de engel. In het Frans werd dat ancolie. Bij de stadsdienst van Brugge werkt zelfs een bioloog die gespecialiseerd is in de betekenis van bloemen en planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven.


Mijn medereizigster heeft ook veel interesse voor vogelzang. Ze gebruikt een app op haar telefoon waarmee vogelgeluiden herkend kunnen worden. Zo ontdekken we dat er rondom ons merels, roodborstjes, wielewalen, zwartkoppen, Iberische kanaries, mussen, tjiftjaffen en zelfs Iberische tjiftjaffen zitten. Zelf zou ik hun gezang nooit kunnen herkennen.

We praten ook over vogels in de christelijke iconografie: de duif als symbool van de Heilige Geest, de haan die verwijst naar Petrus’ verloochening van Jezus, de pelikaan die zijn jongen voedt met zijn eigen bloed als symbool van Christus, en de pauw die staat voor eeuwigheid, verrijzenis en de alziende blik van God.


het kerkje van San Miguel de Paradela en de vogels app op de telefoon van Bernadette


Het stadje Sarria is klein maar druk wanneer we erdoor rijden. Het is middag. We doen snel wat inkopen en rijden daarna de stad uit tot op een heuvel waar we een mooi kerkje zien: de Iglesia de San Miguel de Paradela, met een prachtig vergezicht.

De kerk ligt vlak bij het kerkhof en aan de buitenkant staat een mooi kruis vol symbolische tekens, zoals een slang die in haar eigen staart bijt en symbool staat voor het kwaad in de wereld. Daar lunchen we midden in de natuur, met een prachtig uitzicht, ook al ligt het kerkhof vlakbij met zijn vele familiegrafkelders die klaarstaan om nieuwe familieleden te ontvangen.


Na een verkwikkende lunch beginnen we aan de laatste 22 kilometer van de dag richting Portomarín. Het wordt een rustige middagrit en tot nu toe hebben we nog geen regen gehad, enkel dreigende wolken. Bernadette wil altijd sneller fietsen dan de wolken om de regen voor te blijven, en dat lukt haar meestal aardig.

Toch hebben we deze reis al veel regen moeten trotseren. Op de kleine Caminowegen die we vandaag volgen, is het bijzonder rustig. We proberen zoveel mogelijk de nationale wegen te vermijden. Zeker vanaf de middag wordt het op de kleine Spaanse wegen nog stiller, tot ongeveer 16 uur, wanneer veel Spanjaarden eten of siësta houden. Vanaf 17 uur wordt het verkeer opnieuw drukker.


Zonder regen bereiken we Portomarín, een kleine stad die nu aan een stuwmeer ligt. De regering besliste eind jaren 1950 een stuwmeer aan te leggen voor elektriciteitsproductie. In de loop van de jaren 60 werden op de heuvel nieuwe huizen gebouwd voor de bewoners, terwijl de oude huizen gewoon onder water liepen. De middeleeuwse romaanse versterkte burchtkerk, die prachtig is, werd gelukkig gered. Ze werd steen voor steen afgebroken. Alle stenen werden genummerd en de kerk werd 40 meter hoger opnieuw opgebouwd in het moderne stadje, waarvan alle huizen in traditionele Galicische stijl werden gebouwd. Nadat de Raad van Europa de weg naar Santiago uitriep tot de eerste culturele route van Europa, werd er stevig bijgebouwd om het toerisme te kunnen opvangen.


De brug naar Portomarin, de versterkte burchtkerk in de verte


De brug maakte deze stad zo belangrijk op de Camino de Santiago. Omstreeks 1120 bouwde een zekere Petrus Peregrinus (Peter de Pelgrim) een brug van 150 meter lang en 3,3 meter breed. Naast die brug bevond zich een hospitaal. Nu ligt er natuurlijk een nieuwe brug over het stuwmeer. Het oude hospitaal is verdwenen.


We komen rond 14 uur aan in Portomarín. Het krioelt er van de pelgrims en het voelt zelfs wat onaangenaam aan. Een bijna-overrompeling voor het lange Hemelvaartsweekend. De brug naar het stadje loopt vol, net als de straten en de terrasjes. Overal schuiven mensen aan voor een kamer. De meeste hotels, hostals en albergues zijn volzet. Magda heeft voor Bernadette een kleine kamer geboekt in hotel Portomiño. Ik wil, als het kan, altijd in een groepskamer slapen voor de sfeer. Magda heeft voor mij een cama, een bed, gevonden in albergue Ferramenteiro, op 600 meter van hotel Portomiño, aan de rand van het meer.


Ik check in en kan mijn zware fiets in een berging stallen. Daarna brengen ze me naar mijn bed nummer 110, in een zaal met ongeveer 200 bedden of 100 stapelbedden. Mannen en vrouwen slapen door elkaar. Overal staan rugzakken en andere bagage. Het zijn er wel heel veel en de meeste bedden zijn bezet. Het wordt even slikken. Alleen een kussensloop en een onderlaken worden voorzien. Velen hebben een slaapzak bij; ik natuurlijk niet. Ook veel anderen hebben niets bij en voor 1 euro kunnen we een deken krijgen. Privacy: 0,0. Voor 16 euro kan ik toch niet klagen.


Mijn slaapzaal met 200 bedden en de jonge Spaanse Juan op zoek naar de Camino experience


Toiletten en douches zijn gelukkig apart voor vrouwen en mannen. Voor elke groep zijn er vijf toiletten, vijf douches en acht lavabo’s. Het wordt dus dringen of op tijd douchen. Er zijn twee nooduitgangen aan de gangkant en een nooduitgang aan de kant van het stuwmeer. Het wordt een echte pelgrimsbelevenis. “Experiential tourism” noemen ze dat. Die grote dormitorio ligt aan de kant van het meer, maar vanuit de slaapruimte is er geen zicht op het water: enkel een volle muur met bovenaan een raam van 50 centimeter hoog over de hele lengte. Ook het uitzicht krijgt dus een score van 0,0.


Ik ga onmiddellijk douchen, want ik wil morgenvroeg de drukte vermijden. Daarna rust ik even uit en ga ik de burchtkerk en het stadje bezoeken. Eerst geef ik Bernadette een rondleiding in mijn unieke logies. Ook zij moet even slikken en is waarschijnlijk blij dat haar dit niet overkomt. Via WhatsApp toon ik mijn groepskamer voor 200 mensen. Mijn kleinzoon Floris zegt dat dit soort overnachting de ergste van zijn nachtmerries is. Toch zie ik het zitten; het wordt een echte pelgrimsbeleving.


In sommige hospitalen moesten arme, zieke pelgrims zich in de middeleeuwen bij aankomst onmiddellijk uitkleden. Hun oude, niet altijd welriekende kleren werden verbrand en ze kregen gratis nieuwe kleding … tot hun grote vreugde. Nu doen ze dat gelukkig niet meer … al kan het altijd opnieuw een “experience” worden!


Het dorpsplein van Portomarin, de burchtkerk met het westportaal en het noordportaal


Na deze rondleiding gaan Bernadette en ik naar de burchtkerk van Portomarín. Ze is een zeer goed voorbeeld van een versterkte kerk. Ze werd in de 12de eeuw gebouwd uit stevige stenen en beschikte over een volledig verdedigingssysteem: geen lage of te grote ramen en bovenaan een soort plat dak waarop men verdedigingsmateriaal kon opstapelen om op aanvallers naar beneden te gooien. Waarschijnlijk waren er ook voedsel- en drankvoorraden aanwezig.


De San Nicoláskerk werd tussen de 12de en 13de eeuw gebouwd door de Militaire Orde van Sint-Jan van Jeruzalem, ook bekend als de Johannieters of de Orde van Malta. Zij hadden bijna een eeuw eerder al een ziekenhuis gevestigd op deze strategische plaats tussen Lugo en Ourense, waar men de rivier de Miño kon oversteken. Daarom werd de kerk opgevat als een authentiek versterkt fort of kasteel, een gebouw zonder gelijke in de middeleeuwse Galicische architectuur.


Na de heropbouw, 40 meter hoger dan de oorspronkelijke locatie, ziet de kerk er vrijwel identiek uit als vroeger. De oorspronkelijke plaats, aan de rand van de rivier de Miño, kwam volledig onder water te staan door de bouw van het Belesar-stuwmeer. Dat staat nu bijna vol; vijf jaar geleden was het bijna leeg. De nummers op de stenen van de kerk zijn stille getuigen van de heropbouw.


De twee vroegere stadsdelen, San Pedro en San Juan, kan men soms nog zien liggen op de bodem van dit artificiële meer, vooral in de zomer of tijdens droge periodes, maar ook nu. Zij vormden vroeger de oorspronkelijke kern van Portomarín. De versterkte kerk is ook bekend als de San Juan-kerk.


Het westportaal met het romaanse Laatste oordeel, met Christus in Majesteit, in een mandorla en omringd door de 24 ouderlingen van de Apocalyps


De kerk valt op door haar stevigheid, maar ook door haar verticaliteit en slanke uitstraling. Ze heeft bovendien twee mooie roosvensters die duidelijk tonen dat ze gebouwd werd tijdens de overgang van de romaanse naar de gotische kunst. Ook het interieur is eenvoudig, sober en mooi: één groot schip zonder zijbeuken of transept.

Aan de buitenkant vallen de drie portalen op. In het timpaan van het zuidportaal ziet men een figuur met een mijter — een bisschop zonder staf — geflankeerd door twee acolieten; de linker acoliet houdt de staf vast. De bisschop is waarschijnlijk Sint-Nicolaas van Bari, de patroonheilige van de kerk.


In het timpaan van het westportaal ziet men Christus in Majesteit die het timpaan beheerst, omringd in de binnenste archivolt door de 24 oudsten van de Apocalyps met muziekinstrumenten. Men veronderstelt dat de tetramorf — de vier evangelisten — die normaal een Christus in Majesteit in een mandorla begeleiden, hier vroeger naast Hem geschilderd waren. Dat schilderij is in de loop der eeuwen verdwenen.


In het timpaan van het noordportaal is het hoofdthema een fijne voorstelling van de Boodschap aan Maria, met de aartsengel Gabriël die zich met ontplooide vleugels tot de Maagd Maria richt. Zij opent haar handen als teken van aanvaarding om het kind van God in haar schoot te ontvangen. Tussen beide figuren ziet men een kleine boom die volgens sommige deskundigen de Drie-eenheid en/of de dubbele natuur van Christus symboliseert. Volgens anderen gaat het om de levensboom.


Het interieur van de burchtkerk, het romaanse westportaal met deel van laatste oordeel, twee plato combinados


Na het kerkbezoek en wat kuieren door de drukke straten gaan we een plato combinado eten. Dat is mijn lievelingsmaal op de Camino: van alles wat op één groot bord — vlees, frietjes, twee spiegeleieren en groenten. Tijdens de maaltijd komt onze Braziliaanse vriend toevallig voorbij en praten we nog wat met hem.


Daarna ga ik naar mijn cama en om 20 uur lig ik in bed. Om 22.30 uur word ik wakker. De lichten zijn uit, maar bijna niemand slaapt. Iedereen zit op bed of op de grond te praten of op de telefoon te tokkelen. Er hangt een zacht geroezemoes, zoals rond een bijennest. Ik val opnieuw in slaap en rond 1.30 uur word ik weer wakker. Nu ligt iedereen in bed en is het muisstil, ondanks de bijna 200 pelgrims.

Ik heb deze reis zeker al in tien dormitorios geslapen en overal was het ’s nachts rustig. Pelgrims hebben dus toch discipline, want de volgende dag moeten ze fit zijn. Ik moet ook fit blijven, want morgen gaat het via Furelos en Melide verder naar Arzúa, onze laatste halte voor Santiago. We zijn er bijna: morgen nog 60 kilometer en overmorgen nog 40.






Opmerkingen


© 2022 Rinus-Pinifonds

  • Facebook
  • Instagram
bottom of page