Dag 4 – Van El Pont de Suert naar de Vall de Boí en terug
- Magda Kirsch
- 22 apr
- 4 minuten om te lezen
20 april 2026
Al meer dan veertig jaar droom ik ervan om de Vall de Boí in de Catalaanse Pyreneeën te bezoeken. Deze relatief kleine vallei, die aansluit op de Via Aran en vervolgens de Via Catalan, is ongeveer 45 kilometer diep en – wat mij betreft – wereldberoemd om haar acht preromaanse Lombardische kerkjes. Ze werden gebouwd tussen het jaar 1000 en 1123 door de lokale adel, voornamelijk de familie Erill.
Deze kerkjes vertonen opvallend veel gemeenschappelijke kenmerken. Ze zijn gebouwd met ruwe steen uit de omgeving en versierd met typische Lombardische elementen zoals banden, rondbogen en blinde arcades zonder ramen. De torens zijn slank en hoog, met meerdere openingen waardoor ze naar boven toe lichter lijken. De kerken zelf zijn sober, basilicaal opgebouwd, met een middenschip en twee zijbeuken, en hebben een halfronde apsis met één tot drie kapellen aan de oostzijde. Oorspronkelijk waren ze binnenin rijk beschilderd met fresco’s, gemaakt met natuurlijke pigmenten uit de streek. Deze fresco’s vertellen zowel het verhaal van het katholieke geloof als van het dagelijkse leven in die tijd.
De kerkjes zijn nauw verbonden met de Spaanse geschiedenis. Ze ontstonden tijdens de reconquista, de periode waarin de christelijke koninkrijken op het Iberisch schiereiland vanaf de 8ste eeuw de Moren geleidelijk terugdrongen. De baronnen van Erill speelden hierin een belangrijke rol en werden daarvoor rijkelijk beloond. Met die middelen lieten ze deze kerkjes bouwen in een afgelegen vallei, die later eeuwenlang bijna vergeten werd.
De toegang tot de vallei is ook vandaag niet vanzelfsprekend. Om alle kerkjes te bezoeken, moet je zo’n 45 kilometer fietsen tot op een hoogte van ongeveer 1500 meter, vaak langs steile wegen en door kleine bergdorpjes. Geen eenvoudige opdracht, zeker niet met een beladen fiets.
Het landschap in de Vall de Boi
In de 19de eeuw werden de verlaten kerkjes het doelwit van kunstrovers die fresco’s en kerkmeubilair probeerden te stelen en te verkopen. De Spaanse overheid greep in door de fresco’s te laten verwijderen en onder te brengen in het Nationaal Museum voor Catalaanse Kunst in Barcelona. Dankzij de zogenaamde strappo-techniek – waarbij de schilderlaag op doek wordt overgebracht – konden veel van deze kunstwerken gered worden. In de kerkjes zelf werden vaak (zeer goede) kopieën geplaatst, al is dat niet overal het geval. Vandaag is de Vall de Boí UNESCO-werelderfgoed en worden de kerkjes zorgvuldig beschermd en onderhouden.
Wij besluiten om eerst de verste kerkjes te bezoeken, bovenaan in de vallei, op zo’n 30 kilometer klimmen. We vertrekken pas laat, rond 11 uur, omdat Bruno tot 3 uur ’s nachts had gewerkt aan een wetenschappelijke review. Zijn nacht was dus kort, al zaten we toch samen om 8u30 aan het ontbijt. Omdat we hier twee nachten blijven, hoefden we geen bagage mee te nemen – dat maakte het vertrek een stuk eenvoudiger.
Onze eerste stop is de kerk van Sant Feliu de Barruera, die helaas gesloten blijkt.
Sant Feliu de Barruera, Santa Eulàlia d’Erill la Vall
Daarna trekken we verder bergop naar Santa Eulàlia d’Erill la Vall, een prachtig kerkje met een indrukwekkende toren en een overdekte galerij aan de zuidzijde. De oorspronkelijke fresco’s zijn verdwenen, maar binnen zien we een indrukwekkende (gereconstrueerde) romaanse beeldengroep van de kruisafneming. Bruno beklimt de toren via een ladder en staat net bij de klokken wanneer ze beginnen luiden – een oorverdovende ervaring.
Naast de kerk bevindt zich een modern belevingscentrum waar je met een VR-bril het leven en de bouw van de kerk in de middeleeuwen kan ervaren. Zeker de moeite waard.
Sant Joan de Boi
Van daaruit fietsen we naar het dorpje Boí, waar we het kerkje Sant Joan bezoeken. Net daar worden we verrast door een hevig onweer, met regen, hagel, donder en bliksem. We schuilen onder een afdak en eten onze lunch – brood met Spaanse ham en kaas – terwijl het onweer rondom ons raast. Achteraf kunnen we er gelukkig om lachen.
Wanneer het weer opklaart, bezoeken we de kerk. Viktor, de man die ze openhoudt, blijkt een ware kenner van de romaanse kunst. Hij gidst ons met veel enthousiasme langs de fresco’s en legt de symboliek tot in detail uit. Opvallend is de combinatie van religieuze en wereldlijke taferelen: heiligen en martelaars naast muzikanten, acrobaten en andere scènes uit het dagelijkse leven. We zijn de enige bezoekers en krijgen een uitzonderlijk boeiende uitleg.
Lunch in de regen, Victor geeft uitleg over de fresco's, een van de muren van Sant Joan de Boi
Onze laatste halte is Taüll, helemaal boven in de vallei. Daar bezoeken we twee kerken: Sant Climent en Santa Maria. In Sant Climent worden de originele fresco’s via een indrukwekkende videoprojectie opnieuw tot leven gebracht op de muren van de kerk. Het resultaat is verbluffend. Bruno zou het liefst nog een tweede keer kijken, maar de tijd dringt.
In Santa Maria bewonderen we opnieuw mooie (gereconstrueerde) fresco’s. Opvallend is dat deze tijdens de barokperiode ooit werden afgedekt, omdat men toen weinig waardering had voor de romaanse kunst. Pas in de 19de eeuw kreeg deze stijl opnieuw erkenning.
Taüll: de kerkjes van Sant Climent en Santa Maria.
Bij het verlaten van Taüll kopen we nog een stuk blauwe geitenkaas bij een 83-jarige dame – een mooie ontmoeting tussen twee generaties (ik ben er tenslotte 80). Mijn avondmaal is meteen geregeld: kaas, brood en een Spaans pintje.
Het is inmiddels bijna 19 uur wanneer we aan de afdaling beginnen. Wat ons drie uur klimmen kostte, doen we in 45 minuten naar beneden. Het was een intensieve maar prachtige “rustdag”.
Morgen starten we aan de terugtocht richting St-Jean-Pied-de-Port, via Aínsa en Jaca. Een rit van 75 kilometer wacht ons. We zijn ondertussen al halverwege de dagen die ik met Bruno kan doorbrengen – en ik geniet er intens van. Het is bijzonder om deze tocht samen met mijn oudste kleinzoon te mogen maken.
Taüll: Op stap in het stadje en in winkeltje waar we blauwe geitenkaas kopen
En ergens… fietst Rientje met ons mee. Bruno en hij waren dikke vrienden. Wanneer mensen vragen naar het Rinus Pinifonds, neemt Bruno het woord. Zelf vind ik dat nog moeilijk. Soms pink ik gewoon een traan weg… en doe ik alsof er een stofje in mijn oog zit.








































Opmerkingen